Loading...
Navigatie:  Home  >  Nieuws  >  Bericht

De Amsterdamse Oranje-beweging voor de oorlog en later

 7 juli 2015 

    Print       Email

jan gajentaan - CopyDoor Jan Gajentaan

De afgelopen weken heb ik me eens verdiept in de geschiedenis van de Amsterdamse Oranje-beweging van voor de oorlog. Mijn grootvader Dr. J. Gajentaan (1902 -1987), in zijn tijd bekend als dierenarts én als Sinterklaas bij de Amsterdamse intocht (1950-1962) was een prominent lid van die beweging.

In de jaren twintig en dertig was mijn grootvader uiteraard nog geen Sinterklaas, maar gewoon een jonge dierenarts (één van de eersten, die zich specialiseerde in kleine huisdieren). Via het online krantenarchief van Delpher, kun je hem aardig volgen en zie je hem in die tijd al opduiken als voorzitter of bestuurslid in allerlei besturen van verenigingen. Niet alleen in het ICA (Initiatief Comité Amsterdam) dat de Sinterklaas intocht organiseerde, maar ook in het Oranje Comité, het Centraal Comité van Oranje Bonden en Nationale Organisaties, het Algemeen Nederlandsch Verbond afd. Amsterdam, de Amsterdamse Oranje Jeugdbond, en zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan.

Doel van al die verenigingen was niet alleen het tonen van loyaliteit aan het Koningshuis, maar vooral het bevorderen van kennis van Nederlandse cultuur en folklore, het omzetten van die tradities in allerlei feesten, het bevorderen van het nationaal belang  en meer van dergelijke doelstellingen.

Een interessant aspect is dat in de Amsterdamse Oranje-beweging van voor de oorlog protestants-christelijke, katholieke en joodse verenigingen nauw samenwerkten. We moeten niet vergeten dat voor de oorlog ongeveer 70.000 joodse Nederlanders in Amsterdam woonden (in Nederland, 120.000). Veel joodse organisaties, scholen, weeshuizen e.d. waren enthousiaste deelnemers aan Oranje bijeenkomsten en optochten. Hun loyaliteit aan het Huis van Oranje was groot.

Zowel bij het Algemeen Nederlandsch Verbond als bij het Centraal Oranje Comité, tref ik de naam van de heer M. Goldenberg aan als penningmeester en die van mijn grootvader als voorzitter. De heer Goldenberg en zijn vrouw zijn omgekomen in het Duitse concentratiekamp Bergen-Belsen, begin 1945, blijkt uit mijn naspeuringen.

Mijn grootvader zou ook na de oorlog actief blijven in het Amsterdamse Oranje-comité, waarvan hij voorzitter bleef tot hij er in 1965 ineens de brui aangaf, nadat het huwelijk van Prinses Beatrix met Claus von Amsberg werd aangekondigd. Het feit dat Von Amsberg in de oorlog actieve dienst was geweest van het Duitse leger (90e Pantserdivisie in Italië) was voor mijn grootvader aanleiding zijn functie neer te leggen.

Hij sprak daar nooit over tegen ons, maar door de krantenberichten na te lezen kan ik mij er een beter beeld van vormen. Zo haalde mijn grootvader in een interview in 1965 aan dat hij voor de oorlog nauw samenwerkte met een joodse penningmeester in het Oranje-Comité (ik denk dat hij de in 1945 omgekomen heer Goldenberg bedoelde) en dat hij “nooit een fijner mens gekend had”. Dit verklaart zijn misschien emotionele reactie op het huwelijk van Beatrix en Claus.

Hoe het ook zij, ik trek hieruit de conclusie dat mijn grootvader geen blinde aanhanger was van het Huis van Oranje, maar op de eerste plaats een Nederlandse patriot. Het Huis van Oranje en allerlei vormen van folklore (zoals ook het Sinterklaasfeest) waren voor hem belangrijke symbolen van die vaderlandsliefde. Toen hij de gang van zaken bij het Koningshuis daarmee niet kon verenigen (terecht, of onterecht) koos hij voor zijn vaderlandsliefde en zijn gevoel voor rechtvaardigheid.

Het is interessant deze dingen na te lezen in een tijd waarin veel onzekerheid bestaat over de Nederlandse identiteit, veel culturele tradities en folklore verloren zijn gegaan ofwel onder vuur liggen, omdat ze volgens een kleine groep actievoerders niet “multicultureel” genoeg zouden zijn.

Deze actievoerders weten vaak nauwelijks waarover ze praten omdat ze over het algemeen niet eens weten wat de Nederlandse, c.q. joods-christelijke tradities inhouden. Ik moet bekennen, dat ik daar ook te weinig van weet. Ik ben opgegroeid in de flower-power tijd, waarin de Beatles of de Rolling Stones heel wat interessanter werden geacht dan Nederlandse cultuur en folklore.

Ik begin me steeds meer te realiseren, dat een volk zonder besef van de eigen geschiedenis en cultuur ten dode is opgeschreven. Let wel, ik heb het hier niet over het afzetten tegen andere culturen of tradities, maar eerst en vooral om liefde voor- en erkenning van het eigene.

Zoals Paul Scheffer schreef in zijn beroemde epistel Het Multiculturele Drama, hebben Nederlanders na WO2 van hun eigen tolerantie een soort chauvinisme gemaakt. Dat wil zeggen, ze laten zich voorstaan op hun tolerantie (t.a.v. homosexuelen, etnische minderheden, etc.) maar ze kunnen verder geen positieve kenmerken van de eigen cultuur noemen.
Scheffer wijst er terecht op dat daar geen bindende werking van uitgaat, óók niet ten opzichte van immigranten. Er is een soort ontkenning van het eigene, wat door Thierry Baudet oikofobie wordt genoemd.

Met tolerantie alleen gaan we het dus niet redden, want wie tolerant is maar vergeet de eigen grenzen aan te geven, bereikt het tegendeel van wat hij of zij beoogt. Ayaan Hirsi Ali zei ooit: Tolerance of Intolerance is Cowardice. Met andere woorden: je moet ergens voor staan in het leven.

Het eigen verleden, cultuur en geschiedenis, zijn daarbij een onmisbare inspiratiebron. Misschien zijn we dat in Nederland, met al ons flower power idealisme van de jaren zestig en later, op enig moment vergeten.

Zie ook een ander interessant bericht door op de volgende link te klikken>>> DIKKE MENSEN IN SURINAME WORDEN MAGER MET NIEUW AFSLANKMIDDEL

    Print       Email
  • Published: 2 maanden ago on 3 september 2020
  • By:
  • Last Modified: september 3, 2020 @ 12:42 am
  • Filed Under: Nieuws
Translate »